De Ontmoeting

Verzen 12-20 • Dialoog

Scroll om te beginnen

12

Bruidegom:

12. Keer terug mijn duive,
Daar nu het hert, zijn wonden zere,
In 't zicht komt op de heuvel,
In 't waaien van uw vleugels schept het zich koelte.

13-14

Bruid:

13. Mijn welbeminde, het bergland,
De dichtbeboste, eenzame valleien,
Eilanden nooit geweten,
De ruisende rivieren,
De fluistring van de strelendzachte winden.

14. De nacht, d'indringend-stille,
Voorafgaand aan het schemerlichte dagen,
Muziek van zuiver zwijgen,
Eenzaamheid vol van klanken,
Het avondmaal dat opwekt en verliefd maakt.

15-16

15. En onze legerstede
Vol bloemen is omringd van leeuwenholen
Met purper overspannen,
En opgebouwd uit vrede,
Binnen een krans van duizend gouden schilden.

16. Achter U, op uw voetspoor
Snellen de jonge vrouwen aan, de weg op,
Op 't springen van uw vonken,
Op uwe wijn vol kruiden,
Uw vloeiingen van goddelijke balsems.

17-18

17. In d'innerlijke kelder
Dronk ik van mijn Beminde, en bij 't heengaan,
Door gans die wijde vlakte,
Wist ik van alles niets meer
En liet mijn kudden lopen, die 'k eerst hoedde.

18. Daar nam Hij me aan zijn borst en
Daar onderwees Hij met in een kostlijk weten;
En ik gaf Hem daar waarlijk
Mijzelf, niets uitgenomen:
Dáár heb ik Hem beloofd zijn bruid te wezen.

19-20

19. Mijn ziel blijft voorbehouden
Aan Hem: al wat ik heb staat Hem ten dienste;
Ik hoed niet meer mijn kudden,
Neem ook geen andre dienst meer:
Mijn dienst bestaat alleen nog in beminnen.

20. Als men mij op de meente
Voortaan niet meer te zien krijgt of kan vinden,
Zegt dan: Ze ging verloren,
En door zich te verlieven
Heeft zij zichzelf verdaan en won toen alles.