De Heilige Rust

Verzen 29-39 • De Vrede

Scroll om te beginnen

29-30

29. Gij vederlichte vogels,
Gij leeuwen, herten, snelspringende gemzen,
Gij bergen, dalen, oevers,
Gij waatren, winden, hitte,
En angsten van alleen doorwaakte nachten.

30. Bij 't strelend spel der snaren,
Bij 't zingen der sirenen: Ik bezweer u
Met woeden op te houden:
Raakt zelfs niet aan de muren,
Opdat de bruid hier rustiger kan slapen.

31-32

Bruid:

31. O nymphen van Judea,
Zolang uit bloemen en uit rozestruiken
De geur van amber opstijgt,
Moet ge in de voorstreek blijven
En zelfs niet aan de dorpels durven raken.

32. Verberg u, Allerliefste,
En straal met uw gelaat de bergen tegen.
En wil hier niet van spreken,
Maar let op het geleide
Van haar die vreemde eilandstreken doorreist.

33-34

Bruidegom:

33. De kleine witte duif is
in de ark met de olijftak weergekomen.
Zij heeft, de kleine tortel,
De vriend van haar verlangen
Gevonden aan de groene waterzomen.

34. In d'eenzaamheid verbleef zij;
En d'eenzaamheid had zij zich reeds genesteld:
In eenzaamheid geleidt haar
Alleen nog de Beminde,
Ook zelf in eenzaamheid gewond van liefde.

35-36

Bruid:

35. Genieten wij elkander,
Geliefde, elkander in uw schoonheid schouwend,
De berg op en de heuvel:
Daar stroomt het zuiver water:
Laat ons het hout nog dieper binnendringen.

36. Wij zullen zonder dralen
Opklimmen naar de hoge rotsspelonken;
Ze zijn er goed verscholen.
Daar treden wij dan binnen
En proeven er de most van de granaten.

37-39

37. Daar zult Gij aan mij tonen,
Dat, waarnaar uitgaat heel mijn hartsverlangen;
En onverwijld mij geven,
Aldaar, o Gij, mijn leven,
Wat Gij die andre dag mij reeds verleende.

38. De wind, die zachtjes ademt,
Het zingen van de zoete nachtegalen,
Het woud in al zijn tover
Van nachtelijke vrede,
Daarbij die vlam, die wel brandt, maar geen pijn doet.

39. Niemand die ons bespiedde,
Aminadab is ook niet meer verschenen;
't Verdween wat rondom dreigde,
En het gewapend krijgsvolk
Trok bergaf bij de aanblik van de waatren.