De Vereniging

Verzen 21-28 • De Liefde

Scroll om te beginnen

21-22

21. Van bloemen en emeraldgroen
Bijeengelezen in de koele morgens,
Zullen wij slingers maken.
Ze ontbloeiden in uw liefde.
Eén enkle haar van mij houdt ze tezamen.

22. Het was die haar, die éne,
Die, spelend op mijn hals, uw ogen boeide;
Gij vestigde er een blik op
En zijt verstrikt gebleven,
En door één oog van mij liet Gij U wonden.

23-24

23. Mét dat Gij mij beschouwde,
Droegen uw ogen uw schoonheid in mij over:
Daarmee won ik uw liefde,
Verdienden ook de mijne
Dát te aanbidden wat zij in U schouwen.

24. Wil mij dan niet verachten:
Want ook al vond Gij eerst mijn teint te donker,
Nu kunt Gij mij wel aanzien,
Daar Gij, sinds Gij mij aanzaagt,
Uw gratie en Uw schoonheid in mij prentte.

25-26

25. Wilt ons de vossen vangen,
Want onze wijngaard staat al rijk te bloeien;
Wij maken dan intussen
Van rozen een dichte ruiker,
En niemand mag er op de heuvel komen.

26. Stil, dode wind van 't noorden!
Kom zuidenwind, hernieuwd de liefde wekken.
En adem door mijn bloementuin,
Dat geur er aan ontstrome,
En de Beminde weide onder de bloemen.

27-28

Bruidegom:

27. De bruid toch deed haar intrede
Binnen de schone tuin van haar verlangens;
Naar hartelust rust zij,
Haar hals ligt achterover
Tegen de zoete arm van de Geliefde.

28. Onder het appellover,
Daar werd gij nu met Mij als bruid verbonden;
Daar gaf Ik er mijn hand op
En zijt ge hersteld in ere
Daar waar uw moeder eertijds werd ontluisterd.